Poetry

Martin Reints (1950)
Bui (2006) for soprano, percussion, piano and double bass

Poët Martin Reints and composer Sylvia Maessen at the CD-presentation (Amsterdam)

Poët Martin Reints and composer Sylvia Maessen at the CD-presentation (Amsterdam)

Terwijl het regent
komt de regen in vlagen
door de regen heen

ik merk dat ik inadem
ik merk dat ik uitadem

wat was dat?

was dat het hoesten van een koe
of het dichtslaan van een staldeur?

En die hard geworden stukken blubber,
zijn dat dooie muizen?

de regen ruist
de regen ruist

totdat de telefoon gaat.

Velimir Khlebnikov (1885 – 1922)
De vrijheid komt naakt (2012) for soprano, violin, clarinet and piano.

1.
Из мешка
На пол рассыпались вещи.
И я думаю,
Что мир —
Только усмешка,
Что теплится
На устах повешенного.

 2.
Мне мало надо!
Краюшку хлеба
И каплю молока.
Да это небо,
Да эти облака!

 3. Отказ
Мне гораздо приятнее
Смотреть на звезды,
Чем подписывать
Смертный приговор.
Мне гораздо приятнее
Слушать голоса цветов,
Шепчущих: «Это он!» —
Склоняя головку,
Когда я прохожу по саду,
Чем видеть темные ружья
Стражи, убивающей
Тех, кто хочет
Меня убить.
Вот почему я никогда,
Нет, никогда не буду Правителем!

Translation Alexander Zorin
I.
From the bag
To the floor things fell down.
And I think
That the world
Is only a grin
Glimmering
On the hanged man’s mouth.

II.
I don’t need so much!
A drop of milk,
And a slice of bread,
And that sky above,
And clouds overhead!

III.
The Rejection
For me it’s much more pleasant
To look at the stars
Than to sign up a prisoner
To a death sentence.
For me it’s much more pleasant
To listen to the voices of flowers,
Whispering: “It’s he”
Bending their heads,
As I walk through the garden –
Than to see the black rifles
Of the guard
Killing those who want
To kill me.
That’s why I will never,
No, never, become the Governor!

Omar Khayyam (1048 – 1131)/ Edward Fitzgerald (1809 – 1883)
Rubaiyat (2006) for soprano and six tuned wineglasses

12. A book of verses underneath the bough,
A jug of wine, a loaf of bread – and thou
Beside me singing in the wilderness –
Oh, wilderness were Paradise enow!

 102. Ah, fill the cup: – what boots it to repeat
How time is slipping underneath our feet:
Unborn tomorrow and dead yesterday
Why fret about them – if today be sweet!

 72. And that inverted bowl they call the sky,
Whereunder crawling coop’d we live and die,
Lift not your hands to It for help – for It
as impotently moves as you and I.

 24. Ah, make the most of what we yet may spend,
Before we too into the dust descend;
Dust into dust, and under dust, to lie,
sans wine, sans song, sans singer, and – sans end!

 74. Yesterday this day’s madness did prepare:
Tomorrow’s silence, triumph or despair:
Drink! For you know not whence you came, nor why:
Drink! For you know not why you go, nor where.

 99. Ah love! Could you and I with Him conspire
To grasp this sorry scheme of things entire,
Would not we shatter it to bits – and then
Remould it nearer to the heart’s desire!

 103. But leave the wise to wrangle and with me
The quarrel of the Universe let be:
And, in some corner of the hubbub coucht,
Make game of that which makes as much of thee.

 92. That ev’n my buried ashes such a snare
Of vintage shall fling up into the air
As not a true-believer passing by
But shall be overtaken unaware.

28. With them the seed of wisdom did I sow,
And with mine own hand wrought to make it grow;
And this was all the harvest that I reap’d –
”I came like water and like wind I go.”

Rutebeuf (1230? – 1285?)
Les plaies du monde (2006) for soprano and piano.

La première plaie
Rimer me convient de cest monde
Qui de tout bien se vuide et monde.
Por ce que de tout bien se vuide,
Dieux soloit tistre et or désvuide:
Par tens li ert faillie triame.
Savez porquoi nus ne s’entraime?
Gent ne se vuelent entramer,
Qu’es cuers des genz tant entre amer,
Cruauté, rancune et envie,
Qu’il n’est nus hom qui soit en vie,
Qui ait talent d’autrui preu fere,
S’en fesant n’i fet son afere, son afere.
N’i vaut riens parenz ne parente;
Povre parent nus s’aparente:
Moult est parenz et pou amis.
Nus n’i prent més s’il n’i a mis:
Qui riches est s’a parenté;
Més povres hom n’a parent té,
S’il le tient plus d’une jornee,
Qu’il me plaingne la sejornee.
Qui auques a si est amez,
Et qui n’a riens s’est fols clamez.
Fols est clamez cil qui n’a rien:
N’a pas vendu tout son mesrien,
Ainz en a un fou retenu;
N’est més nus qui reveste nu;
Ainçois est partout la coustume,
Qu’au desouz est, chascuns le plume
Et le gete on en la longaingne,
Por c’est cil fols qui ne gaaingne
Et qui ne garde son gaaing,
Qu’en povreté a grant mehaing.
Or avez la premiere plaie,
De cest siecle sor la gent laie.

Translation Clem Schouwenaars 1986
De wonden der Wereld

Over deze wereld wil ik schrijven,
Waaruit al het goede weg zal drijven.
God bleef maar spinnen en maar weven
Nadat er al zoveel was weggedreven:
Nu heeft Hij weldra geen inslag meer.
Weet je waarom ’t zo is verkeerd?
De mensen kunnen elkaar niet beminnen,
Zoveel bitters dringt in hun harten binnen,
Zoveel wreedheid, wrok, benijden,
Dat niet één wat goeds bereiden
Kan zijn naaste, zonder tegelijkertijd
Te berekenen ’t eigen profijt.
Verwanten en bekenden tellen niet:
Wie arm is immers geen bekenden ziet:
Bekenden heeft men veel maar weinig vrienden.
Men gaf altijd, als ’t tot wat diende:
Een rijke leeft te midden van bekenden;
Maar nooit kan zich een arme wenden
Tot een ander, of reeds na één dag
Maakt die daarover zijn beklag.
Wie wat bezit, die wordt bemind
En wie niets heeft noemt men ontzind.
Ontzind noemt men wie niets heeft:
Niet alle stutten van de woning heeft
Hij uitverkocht, één plank blijft hem besteed.
Niemand is er nog, die naakten kleedt;
Voortaan zal niemand nog verzuimen
Wie gevallen is verder te pluimen
En daarna te smijten op de belt.
Als zulke grote gek wordt voorgesteld
Hij, die niets wint en zit in schulden,
Dat armoe wreed werd om te dulden.
Dit was dan de eerste wond van deze tijd,
Waar de gewone mens zo onder lijdt.

Guide Gezelle (1830 – 1899)
Dichters (2003) for soprano and flute

 Deur hore’en more moet ik
deur dikke’en dunne gaan
en overal ontmoet’ik mij boozen langs de baan.
Ze schelden en ze schrikken,
ze schimpen en ze slaan; sla, slaa, sláán!
Ze wegen en ze wikken: Au, au, au, au, au, au!
“Hoe deernis hem gedaan?”

Ze zeggen, en ze zullen mij vatten en mij vaân!
De dommen en de dullen: ze’n durvender niet aan!
Me’n roek’s! Ik laat ze zwetsen!
ze brouwen en ze braân, ze glijden en gletsen: A-ha-ha!
Ik ga! zij blijven staan, staan!

II.Een rijmsnoer
Een rijmsnoer ben ik rijk gebleven,
‘k’en weet newicht noch hoe noch waar,
‘t’mij inneviel, noch hoe malkaar
de staven zijn aaneen gesteven, zes of zeven,
die ik even vond alhier en ving aldaar.

 III. De vlaamsche tale
De vlaamsche tale’is wonder zoet,
voor die heur geen geweld en doet,
maar rusten laat in’t herte,
alwaar zij onmondig leefde en sliep te gaar,
tot dat zij, eens wakker, vrij en vrank
te monde uitgaat, heur vrij en gang!

Wat verruwprachtig hoortoneel,
wat zielverrukkend zingestreel.
Oh, vlaamsche tale’uw kunste’ontplooit,
wanneer zij’t al vol leven strooit en vol onzegbaar schoonzijn.
Dat lijk wolken wierooks, welt uit uw zoet wierookvat!
De vlaamsche tale’is wonder zoet!

Jan Slauerhoff (1898 – 1936) / Banjo Patterson (1864 – 1941) / Sylvia Maessen
Zuytdorp (2012) for soprano, violin, clarinet, accordion and piano

 In the year of seventeen eleven,
from Zeeland to Cape of Good Hope to Batavia,
but never arrived there.
About two-hundred-ninety men and captain Marinus Wijsvliet,
nobody knows what happened to them.
The Zuytdorp! VOC-ship, on her way to a prosperous future.

“No land in sight. What is the longitude?
Check the quadrant, check the astrolabe.
When will the clouds disappear
and open the sky to show us all the stars again?
When will we turn to the north? To the north!”
Wind is getting stronger: The Roaring Fortees!

(Slauerhoff)
“De orkaan nam de overhand,
rukwinden sarden ons oud karkas,
het noodzeil was gevlogen, snel als een meeuw,
klapwiekend naar den hooge.
De wervelwind rukte de laatste flarden
of een onzichtbare valk met duiven vocht.
De strakste touwen stonden in een bocht,
snaren waarop de stormwind gonsde en floot:
het onheilspellend voorspel van de dood.”
The Zyutdorp crashed into the West-Australian cliffs!

In the year of nineteen-twenty-seven,
Tom Pepper found some broken, green bottles on the top of the cliffs.
At the foot of the cliffs he found woodwork,
eight breechblocks and many coins, he did not know where it came from.
The Zuytdorp! VOC-ship. But what happened to the survivors?

“The soil was dry, the soil was sandy.
We saw no men nor fresh water, but only briers and thorns.
After an hour’s march, we came to a basin of brackish water,
which we afterwards found was a river,
on the bank of which were several footsteps…”
What happened then? What happened?

In the sixties the wreck was located,
but the diving was nearly impossible.
A heavy swell, strong northerly along the cliffs.
But persistance gave result.
They found some anchors, a number of brass cannon.
But later, to their amazement: Hundreds of thousands of silver coins!

What about the first encounter
between the whites and Aboriginals?
Did they think that the whites were the spirits of their dead?
The tabacco-box at Wale Well?
The shippainting at Walga Rock?
The light skin of some local tribes?
It’s almost sure that the castaways lived among them and interbred.

(Patterson)
Australia, Australia!
Our old world differences are dead,
like weeds beneath the plough,
for the Dutch and Aboriginals,
English, Scottish, Irish, Spanish, Portuguese.
We’re all, we’re all, we’re all Australians now!

Wendela de Vos (1947)
IJskoningin (2013) for soprano, flute and piano

Dit is mijn land, wees welkom!
Ik heb op u gewacht.

U bent mijn gast, zet u aan tafel.
Glanzend wit damast, fonk’lend kristal.
Ik drink op uw moed.

Ik leg, ik leg mijn mantel om uw schouders.
Ik leg, ik leg mijn handen om uw hart.

Ik zing voor u tot u gaat slapen,
tot u zich neerlegt, uw ogen sluiten.
U bent mijn gast.

Bittere koude, koude, scherper dan glas.
Ik zal u niet verlaten.
Ik heb op u gewacht.

Tullia d’Aragona (1510 – 1556)
Qual vaga Filomela (2003) for soprano, clarinet and violoncello

 Qual vaga Filomela, che fuggita
è da l’odiata gabbia, et in superba
vista sen va tra gli arboscelli e l’erba,
tornata in libertate e in lieta vita,

er’io da gli amorosi lacci uscita,
schernendo ogni martire e pena acerba
de incredibil duol, ch’in se riserba
qual ha per troppo amar l’alma smarrita.

 Ben avev’io ritolte (ahi stella fera!)
dal tempio di Ciprigna le mie spoglie,
e di lor pregio me n’andava altera,

quand’a me Amor: Le tue ritrose voglie,
muetrò, disse; e femmi prigioniera
di tua virtù, per rinovar mie doglie.

Translation Frans van Dooren 1992

 Zoals een nachtegaal, die een onbewaakt
moment benut om aan zijn kooi te ontkomen,
eenmaal ontsnapt uitbundig in de bomen
en tussen ‘t gras ‘t genot der vrijheid smaakt,

 zo had ook ik me lachend losgemaakt
van al die kwellingen en boze dromen
die ‘t oog van bitterheid doen overstromen
bij al wie ‘t spoor door liefde bijster raakt.

Ik had uit Venus’ tempel al weer gauw
alles terug, en fier en vastberaden
liep ik ermee te pronken als een pauw,

toen Amor mij (o Lot, schenk mij genade!)
ineens weer als gevangene van jou
met nieuwe pijn en nieuwe smart belaadde.

Hadewijch (1210? – 1260?)
De Minne (2012) for four female voices

God gheve hen allen die minne begheren
Dat si der minnen alsoe ghereden
Dat si al op hare rike teren
Datse minne in haer minne moghe gheleden
Soe en mach hen biden vreemden wreden
Nemmer mescien sine leven soe vri
Alse ic al minnen ende minne al mi
Wat mach hem dan meer werren
Want in haerre ghenaden staen si
Die sonne die mane die sterren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: